602px-b%c3%b6sendorfer.svg

De geschiedenis van pianobouwer Bösendorfer en de Bösendorfer Imperial

Toen Ignaz Bösendorfer (1796-1859) in 1828 de pianofabriek van Joseph Brodmann overnam, had hij maar één vraag: hoe kan ik sterkere piano’s bouwen? Hij merkte dat de grote pianovirtuozen van zijn tijd, zoals Frédéric Chopin en Franz Liszt, behoefte hadden aan instrumenten met een grotere toonstabiliteit en een luider volume. De eerste Bösendorfers waren direct een schot in de roos. Bleken de reguliere vleugels niet opgewassen tegen Liszts fenomenale pianogeweld, de vleugel van Bösendorfer gaf echter geen krimp. Wat was het geheim? Anders dan zijn concurrenten bevestigde Bösendorfer de snaren niet aan een houten, maar aan een stalen frame, waardoor de snaren veel meer spanning aankonden. Liszt was verbluft door het resultaat: “De perfectie van een Bösendorfer overtreft mijn meest ideale verwachtingen.”

Door Jan-Willem van Ree

Kaiserlich und königlich

Liszts enthousiasme over de Bösendorfer-vleugels was het begin van een levenslange relatie tussen de pianist en de opkomende familie Bösendorfer. Zo kreeg Liszt verschillende speciaal voor hem vervaardigde Bösendorfers cadeau, die in het Boedapester Liszt-museum nog steeds zijn te bewonderen. Al snel gingen lovende berichten over Bösendorfers fenomenale vleugels in de muziekwereld rond en won de firma gouden medailles op diverse fabriekstentoonstellingen. In 1830 kreeg Ignaz Bösendorfer als eerste pianobouwer ooit het predicaat kaiserlich und königlich en werd daarmee hofleverancier van vleugels in het Habsburgse keizerrijk van keizerin Sisi. 

Ludwig Bösendorfer

Onder Ignaz’ zoon Ludwig Bösendorfer (1835-1919) bereikte het bedrijf zijn technische hoogtepunt en grootste roem. Onverstoorbaar hield Ludwig vast aan het ideaal zoals hij dat van zijn vader had meegekregen. Waar Steinway en Chickering tussen 1860 en 1909 vernieuwingen doorvoerden, bleef Ludwig trouw aan het gebruik van gietijzer en de techniek van het pianoframe. Dit betekende dat de productie nooit boven 423 instrumenten per jaar uitsteeg. Meer dan een derde daarvan werd binnen Wenen verkocht, de rest kwam elders in het Habsburgse keizerrijk terecht. Pas vanaf 1909 werden grotere delen van de productie ook in de rest van wereld afgezet. 

Voortschrijdend inzicht

Dat Ludwig Bösendorfer vasthield aan de idealen van zijn vader betekende niet dat hij geen verbeteringen doorvoerde. Zo verfijnde hij het gietijzeren frame en overspande dat met kruislings over elkaar liggende snaren. Dit droeg in grote mate aan de briljante, maar toch soepele pianoklank die zo karakteristiek is voor de Bösendorfer-vleugels. 

Onverbreekbare band met Wenen

Aan het einde van de negentiende eeuw was de pianofabriek uitgegroeid tot veel meer dan alleen een werkplaats waar piano’s werden gebouwd. Met verschillende initiatieven verstevigde Bösendorfer zijn band met de stad Wenen. In 1872 opende de beroemde Weense dirigent en pianist Hans von Bülow de Bösendorfersaal. Deze concertzaal met vijfhonderd zitplaatsen was daarmee direct één van de belangrijkste Weense kamermuziekzalen. Johannes Brahms, Franz Liszt, Max Reger, Gustav Mahler; allemaal speelden ze in de Bösendorfersaal. 

De Bösendorfer Imperial

Rond 1909 raakte Bösendorfer junior verzeild in een onbedoeld experiment. De Duitse componist Ferruccio Busoni (1866-1924) vroeg om een vleugel met negen extra bastoetsen, zodat hij daarop zijn transcripties van orgelwerken van Bach kon uitvoeren. Op die manier ontstond de Bösendorfer Imperial met 97 toetsen in plaats van de gebruikelijke 88. Het succes was zo groot dat het type spoedig in de reguliere pianoproductie werd opgenomen. Hoewel de Imperial dus eigenlijk werd gebouwd voor het uitvoeren van Busoni’s Bach-transcripties, lieten hij en andere componisten zoals Béla Bartók, Claude Debussy en Maurice Ravel zich ook tot originele werken voor de Bösendorfer Imperial inspireren. Tot op de dag van vandaag is dit het ‘vlaggenschip’ van de pianofabriek.

Hoe er een Bösendorfer in de Edesche Concertzaal terechtkwam 

In de zomer van 2013 werden de contouren van de Edesche Concertzaal langzaamaan duidelijker. Waar in mei nog werd gedacht aan een klein ontmoetingscentrum om de voorbijgangers even rust te gunnen en hun krantje te laten lezen, kwam in juli de concertzaalgedachte op. Tijdens de zoektocht naar een vleugel (in aanvulling op het mooie staande pijporgel) liep Nando Eskes, de oprichter van de Edesche Concertzaal, aan tegen de Bösendorfer Imperial bij de importeur (Bol Piano's uit Veenendaal). Diep geraakt door de prachtige stijl, de volle inhoud van de klank en de mooie historie van dit instrument besloot hij toen de Edesche Concertzaal te verrijken met deze concertvleugel, één van 's werelds mooiste, dat mag gezegd.


De Bösendorfer Imperial (serienummer 290-81) van de Edesche Concertzaal zette de toon voor de hoogwaardige kwaliteit van de programmering, de akoestiek en de beleving die deze nieuwe, ongesubsidieerde zaal, haar bezoekers aanbiedt. Deze parel op de Veluwe is voor elke klassieke muziekliefhebber een must om een keer bezocht te hebben.

e81c75b17f084d3d9a44f6b8f547350a